EGZAMIN LICENCJACKI 2015

LICENTIAATSEXAMEN 2015

Het als afsluiting van de driejarige dag- en avondstudie Nederlandse Filologie op 1 en 14 juli 2015 af te leggen licentiaatsexamen bestaat uit vier onderdelen met telkens 15 of 30 voor te bereiden onderwerpen, te weten:

I. Nederlandse taalvaardigheid,

II.De kennis van land en volk,

III. Beschrijvende grammatica van de Nederlandse taal,

IV. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur.

LICENTIAATSEXAMEN 2015 VOOR niet-DCC-STUDENTEN:

Elke student(e) presenteert tijdens dit examen aan de examencommissie zijn/haar Nederlandstalige mondelinge antwoorden op telkens één vraag uit elk onderdeel. De onderwerpen in elk van de genoemde onderdelen zijn hieronder opgegeven.
In geval van nood kan een tweede vraag (van op de lijst of een andere) gesteld worden.

LICENTIAATSEXAMEN 2015 VOOR DCC-STUDENTEN:

Elke student(e) presenteert tijdens dit examen aan de examencommissie zijn/haar Nederlandstalige mondelinge antwoorden op telkens één vraag uit elk onderdeel. De onderwerpen in elk van de genoemde onderdelen zijn hieronder opgegeven.
In geval van nood kan een tweede vraag (van op de lijst of een andere) gesteld worden.
De DCC-studenten presenteren tijdens het licentiaatexamen bovendien hun beroepsvoorbereidend project (opzet van het onderzoek: probleemstelling, deelvragen, theoretisch kader; relevantie van het onderzoek; resultaten van het onderzoek; conclusies).

POWRÓT NA POCZĄTEK STRONY

Nederlandse taalvaardigheid:

  1. Dromen - twee betekenissen van het woord. Wat heb je laatst gedroomd? Waarvan droom je? Zou je je leven opnieuw willen beginnen? Wat zou je dan in je leven veranderen?
  2. Mannen en vrouwen. Is communicatie mogelijk? Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de twee geslachten? Hebben zij gelijke rechten en plichten? Beschouw je "gender" als vloekwoord? Ben je voor homoseksuele/lesbische huwelijken?
  3. Ouders zijn. Wat zijn de beste manieren om kinderen groot te brengen? Zou je je eigen kinderen op dezelfde manier opvoeden als je zelf opgevoed werd? Wat denk je van kleuterscholen, crèches, kindermeisjes? Wat is de rol van de vader/moeder in de opvoeding? Moeten/kunnen demografische processen bijgestuurd worden door het rijk? Als ja, hoe dan? Zouden homoseksuele/lesbische paren kinderen mogen opvoeden?
  4. Gezondheidszorg. In Polen en in Nederland/Vlaanderen. Wie zou verantwoordelijk moeten zijn voor jouw gezondheid? Het rijk? Jezelf? Wat doe je om fit te blijven? Donors. Donorcodicil, donororganen, donorbanken. Als er niet genoeg middelen zijn, wie moet de voorrang krijgen: kinderen of bejaarden?
  5. Tieners. Wat zijn hun problemen? Kan je van "tienercultuur" spreken? Vind je het jammer dat je geen tiener meer bent? Behoor je tot de "app-generatie"?
  6. Het milieu. Situatie in Polen, in de Nederlanden, in de wereld. Wat is de toekomst van de aarde? Wat zijn de optimale energiebronnen van de toekomst? Wat denk je van kernenergiecentrales? Van de windenergie?
  7. Massamedia. Welke rol spelen ze in ons leven? Media in Polen, Vlaanderen en Nederland. Internet: voor- en nadelen. Sociale media (social media): weblogs, fora, sociale netwerken als Youtube, Facebook, LinkedIn, Twitter en Google+
  8. Boeken zijn niet meer nodig. Wat is de rol van moderne communicatiemedia in ons leven? Schrijven we nog brieven? E-boeken en e-readers versus ouderwetse boeken. De bibliotheken.
  9. Onsterfelijkheid. Zou je onsterfelijk willen zijn/worden? In welke zin kan men onsterfelijk blijven? Ben je bang voor de dood? De euthanasie - voor of tegen?
  10. Numerus clausus: voor en tegen. Wat is de waarde van een universitair diploma in onze tijd? Zijn meerdere diploma's beter dan één?
  11. Wat betekent voor jou liefde, eenzaamheid, gelukkig zijn?
  12. Wat betekent voor jou geloof en bijgeloof?
  13. Wat betekent voor jou lijden, ouderdom, eenzaamheid?
  14. Mensen zijn al duizenden jaren jagers. Zou jagen nu verboden moeten worden? Moeten we doden om te leven? Wat betekent voor jou met dieren omgaan? Het vegetarisme (vegetariërs) en het veganisme (veganisten).
  15. Terrorisme. Bronnen. Hoe kan terrorisme bestreden worden? Wat betekenen voor jou mensenrechten? Is sterke staat belangrijker dan burgermaatschappij, controle dan vrijheid? Wat denk je van Julian Assange (en zijn klokkenluiderwebsite WikiLeaks) en Edward Snowden ("whistle-blowers"= "klokkenluiders")?

Kennis van land en volk:

  1. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de Belgische koloniale geschiedenis? Hoe verliep de kolonisatie van Congo?
  2. België wordt gekenmerkt door verschillende vormen van nationalisme. Noem ze en karakteriseer ze kort.
  3. Wat is de oorsprong van conflicten tussen Vlamingen en Walen?
  4. Vlaamse kunst vs. internationale kunst.
  5. Waarom is Vlaanderen één van de belangrijkste modecentra geworden?
  6. Hoe verloopt de federale regeringsvorming in België? Waarom loopt het dikwijls moeizaam?
  7. De Belgische monarchie - de rol van de koning en historische ontwikkelingen.
  8. Nederlandse Monarchie -  rol, plichten en prerogatieven van het staatshoofd.
  9. Ingenieursmentaliteit en de maakbare samenleving - definities, voorbeelden, gevolgen.
  10. Gedoogbeleid: definitie, voorbeelden - drugsbeleid.
  11. Het 'moeilijk verleden' van Nederland. Geef voorbeelden.
  12. Verzuiling en de gevolgen daarvan.
  13. Ontzuiling: jaren 60, sociaal-culturele achtergrond, culturele omwenteling.
  14. Multiculturele samenleving: soorten migratie, beleidsmodellen, tolerantie.
  15. Onderwijssysteem in België, Nederland en Polen.

POWRÓT NA POCZĄTEK STRONY

Beschrijvende grammatica van de Nederlandse taal - vragen voor DCC-studenten:

  1. Nederlandse klinkers: distinctieve kenmerken, allofonen, spelling.
  2. Nederlandse tweeklanken en combinaties van vocalen.
  3. Nederlandse medeklinkers: distinctieve kenmerken, allofonen, spelling.
  4. Assimilatie van plaats.
  5. Assimilatie van stem.
  6. Fonische kenmerken en functies van het woordaccent in het Nederlands en accentuering van ongelede woorden en samenstellingen.
  7. Accentuering van de afgeleide woorden in het Nederlands.
  8. Kenmerken en soorten van het substantief.
  9. De- en het woorden.
  10. Meervoudsvorming in het Nederlands.
  11. Verkleinwoorden - vorming en gebruik.
  12. Kenmerken en soorten van het lidwoord.
  13. Het gebruik van het lidwoord.
  14. Het bijvoeglijk naamwoord - kenmerken, soorten en gebruik.
  15. Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord.
  16. Trappen van vergelijking - vorming en gebruik.
  17. Kenmerken en soorten van het werkwoord.
  18. Regelmatige en onregelmatige werkwoorden.
  19. Bedrijvende en lijdende vorm.
  20. De wijzen van het werkwoord.
  21. Vorming en gebruik van de o.t.t..
  22. Vorming en gebruik van de o.v.t..
  23. Vorming en gebruik van de o.t.t.t..
  24. Vorming en gebruik van de o.v.t.t..
  25. Vorming en gebruik van de v.t.t..
  26. Vorming en gebruik van de v.v.t..
  27. Vorming en gebruik van de v.t.t.t..
  28. Vorming en gebruik van de v.v.t.t..
  29. Verschil tussen het perfectum en imperfectum.
  30. Hoe wordt in het Nederlands de conditionalis/irrealis gerealiseerd?

Vragen voor studenten van de daggroepen en studenten van de avondgroep:

  1. Nederlandse klinkers: distinctieve kenmerken, allofonen, spelling.
  2. Nederlandse tweeklanken en combinaties van vocalen.
  3. Nederlandse medeklinkers: distinctieve kenmerken, allofonen, spelling.
  4. Assimilatie van plaats.
  5. Assimilatie van stem.
  6. Fonische kenmerken en functies van het woordaccent in het Nederlands en accentuering van ongelede woorden en samenstellingen.
  7. Accentuering van de afgeleide woorden in het Nederlands.
  8. Kenmerken en soorten van het substantief.
  9. De- en het woorden.
  10. Meervoudsvorming in het Nederlands.
  11. Verkleinwoorden - vorming en gebruik.
  12. Kenmerken en soorten van het lidwoord.
  13. Het gebruik van het lidwoord.
  14. Het bijvoeglijk naamwoord - kenmerken, soorten en gebruik.
  15. Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord.
  16. Trappen van vergelijking - vorming en gebruik.
  17. Kenmerken en soorten van het werkwoord.
  18. Regelmatige en onregelmatige werkwoorden.
  19. Bedrijvende en lijdende vorm.
  20. De wijzen van het werkwoord.
  21. Vorming en gebruik van onvoltooide tijden.
  22. Vorming en gebruik van voltooide tijden.
  23. Soorten onderwerp.
  24. Soorten en bestanddelen van het gezegde.
  25. Soorten van objecten.
  26. Bijwoordelijke bepaling.
  27. Algemene principes van de Nederlandse woordvolgorde.
  28. Nevengeschikte zinnen.
  29. Soorten bijzinnen.
  30. Welke bepalingen kent u? Welke zinnen kan het voegwoord "of" inleiden?

POWRÓT NA POCZĄTEK STRONY

Geschiedenis van de Nederlandse literatuur - vragen voor studenten van de daggroepen en voor DCC-studenten:

  1. De oudste bekende Nederlandse dichtregels.
  2. De Middelnederlandse epiek.
  3. God en kerk in de middeleeuwse literatuur.
  4. Didactische literatuur in de Middeleeuwen.
  5. De rederijkerspoëzie.
  6. Komische toneelstukken - genres en voorbeelden.
  7. Liederen in de Renaissance.
  8. Dichters van de Gouden Eeuw.
  9. De Muiderkring.
  10. Nederlandse emblematiek.
  11. Het Reisjournael van Bontekoe.
  12. Justus van Effen en de spectators.
  13. Het Nederlandse sentimentalisme.
  14. De Nederlandse briefroman.
  15. Nederlandse (pre-)romantiek.
  16. De Beweging van Tachtig, de latere romantici en kenmerken van stemmingpoëzie.
  17. Vernieuwing in de poëzie in Vlaanderen: Guido Gezelle en Paul van Ostaijen.
  18. Het modernisme en de historische avant-garde.
  19. Poëzie na de WO II: de Vijftigers, de Zestigers en anderen.
  20. Populaire literatuur - definities, genres, auteurs.
  21. De Nederlandstalige literatuur en de verwerking van de WO II.
  22. Hoogtepunten uit het Nederlandse proza na 1945.
  23. Postmoderne literatuur - kenmerken, onderwerpen, auteurs.
  24. Nederlandse koloniën en hun betekenis voor de Nederlandse literatuur.
  25. Belgische koloniën en hun betekenis voor de Nederlandstalige literatuur.
  26. Reisliteratuur - bespreek het genre, geef voorbeelden.
  27. Minoes van Annie M.G. Schmidt in de context van kinder- en jeugdliteratuur.
  28. De Nederlandstalige literatuur in Poolse vertaling - noem de vertalers en bespreek kort enkele vertaalde werken.
  29. Je lievelingspersonage uit de Nederlandstalige literatuur, op basis van de lectuurlijst. Beargumenteer je keuze.
  30. Bespreek één van de gedichten uit de lijst en plaats de tekst in zijn literair-historische context:
  • Willem Kloos, Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
  • Adriaan Roland Holst, 'Ballingschap'
  • Frederik van Eeden, 'De waterlelie'
  • Paul Van Ostaijen, 'Marc groet 's morgens de Dingen'
  • M. Nijhoff, 'De moeder de vrouw'
  • Hugo Claus, 'In Flanders Fields'
  • Lucebert, Ik tracht op poëtische wijze.
  • Armando, 'september in de trein' en 'Agrarische cyclus'
  • Miriam Van hee: 'Het karige maal'
  • Tom Lanoye, 'Het voordeel van de twijfel'

 

Geschiedenis van de Nederlandse literatuur - vragen voor studenten van de avondgroep:

  1. De Middelnederlandse epiek.
  2. De Middelnederlandse lyriek
  3. Het Nederlandse toneel in de Middeleeuwen.
  4. God en kerk in de middeleeuwse literatuur.
  5. De rederijkerspoëzie.
  6. Grote dichters van de Gouden Eeuw.
  7. De Muiderkring.
  8. Nederlandse reisverhalen: Linschoten, De Veer, Dapper.
  9. Nederlanders op reis: VOC en WIC.
  10. Nederlanders in Polen - de Polen in Nederland.
  11. Het Reisjournael van Bontekoe.
  12. JJustus van Effen en de spectators.
  13. Het Nederlandse sentimentalisme.
  14. De Nederlandse briefroman.
  15. De (pre-)romantiek in de Lage Landen.
  16. De Beweging van Tachtig, de latere romantici en kenmerken van stemmingpoëzie.
  17. Het modernisme en de historische avant-garde.
  18. Nederlandse en Vlaamse poëzie na de WO II: de Vijftigers, de Zestigers en anderen.
  19. Populaire literatuur - definities, genres, auteurs.
  20. Hoogtepunten uit het Nederlandse proza na 1945.
  21. Postmoderne literatuur - kenmerken, onderwerpen, auteurs.
  22. Nederlandse en Belgische koloniën en hun betekenis voor de Nederlandse literatuur.
  23. Reisliteratuur - bespreek het genre, geef voorbeelden.
  24. Minoes van Annie M.G. Schmidt in de context van kinder- en jeugdliteratuur
  25. De Nederlandstalige literatuur in Poolse vertaling - noem de vertalers en bespreek kort enkele vertaalde werken.
  26. Bespreek de relatie tussen literaire canon en literaire marges.
  27. Bespreek de term 'adaptatie', benoem verschillende soorten adaptaties en geef voorbeelden.
  28. Wat betekent de term 'elektronische literatuur'? Geef voorbeelden van elektronische literatuur uit het Nederlandse taalgebied.
  29. Geef toelichting van het begrip 'intermedialiteit'.
  30. De maatschappelijke context van Het boek van alle dingen door Guus Kuijer.

Informacja z Dziekanatu:

Dziekanat Wydziału Filologicznego Uniwersytetu Wrocławskiego informuje o wymogu oddania zaliczonego indeksu do dziekanatu 1 tydzień przed egzaminem licencjackim.

Po zdanym egzaminie licencjackim należy wpłacić (w Dziekanacie) 60 zł za dyplom i dostarczyć 4 zdjęcia (czarno-białe w strojach wizytowych) o wymiarach 4,5 x 6,5.

Około dwóch tygodni po zdanym egzaminie licencjackim należy w dziekanacie złożyć podpis na suplemencie do dyplomu.

Przy odbiorze dyplomu niezbędna jest karta zobowiązań bibliotecznych, legitymacja studencka oraz dowód osobisty.

Herexamen (indien nodig) op 2 september, extra termijn: 2 september 2015 + herkansing op 22 september.

Samenstelling examencommissie

POWRÓT NA POCZĄTEK STRONY